Panorama

Blad 
 van 955
Records 6 tot 10 van 4771
Nummer
1913, nr.01, 2 juli 1913
Blad
02
Tekst
HET DAMRAK TE AMSTERDAM MET HULPGEBOUW VAN DE BIJENKORF. STEEDS HET NIEUWSTE OP HET GEBIED VAN DAMESMODE EN CONFECTIE. KWALITEIT GOED, SORTEERING GROOT. PRIJS BILLIJK. Amsterdam. MAGAZIJN DE BIJENKORF. damrak. '
PDF
Nummer
1913, nr.01, 2 juli 1913
Blad
03
Tekst
Uitgevers en Redactie DOEZASTRAAT 1, LEIDEN, TELEFOON No. 1 Adres voor Administratie en Redactie geïllustreerd weekblad A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ. LEIDEN Ons weekblad presenteert zich thans voor het eerst aan het Nederlandsche publiek en aan de Vlaamsche broeders en zusters van het taalverwante België, van de Nederlandsche bezittingen en koloniën en van Zuid-Afrika. Het hoopt een vriend van den huize te worden, niet maar zoo een losse kennis, die van tijd tot tijd eens een bezoek brengt, maar een die een geregelde en gaarne geziene gast is. Dit, maar ook de tijdsomstandigheden waarin „Panorama” verschijnt, leggen zekere verplichtingen op. Het weekblad komt immers in het midden van het jubeljaar, het jaar waarin het Nederlandsche volk zich beijvert' om aan de wereld te toonen hoezeer een eeuw van onafhankelijk volksbestaan van invloed is geweest op de ontwikkeling van kunst, wetenschap, handel, nijverheid, scheepvaart, landbouw en andere takken van volkswelvaart, welke hoogte van cultuur het vrije volk heeft bereikt. Het spreekt wel vanzelf dat het er dus mede op aankomt te bewijzen, dat de graphische kunst niet heeft stilgestaan, integendeel dat ook ten onzent op dit gebied de meest moderne werkwijzen toepassing vinden. Daarom, men kan het aanstonds zien, is ons kleed splinternieuw en fraai. „Panorama” wordt saamgesteld volgens een geheel nieuw procédé van illustratiedruk, dekoper-diepdruk, en geen ander bekend procédé is in staat om den rijkdom van tinten, de fijnheid van détails aldus weder te geven, bij een snelheid van bewerking die tot nu toe ongeëvenaard is en zonder dat het gebruik noodig is van het glimmend en voorde oogen altijd min of meer hinderlijke kunstdrukpapier. Wat den inhoud betreft zal naar groote verscheidenheid worden gestreefd. De wereldgebeurtenissen zullen worden uitgebeeld. Populaire wetenschap, sport, kunst, modes zullen hun deel krijgen. Volwassenen en kinderen zullen in „Panorama” iets van hun gading vinden. En het streven naar actualiteit zal, bij strikte godsdienstige en staatkundige onzijdigheid nooit ontaarden in een zucht naar het sensationeele. Elke week wordt een gedeelte van een goeden roman, in ■ boekdruk, bijgevoegd. Aan de novellistische bijdragen, oorspronkelijk als vertaald, zal zorg worden besteed. Met deze voornemens bezield zenden uitgevers en redactie dit proefnummer van „Panorama” de wereld in. Moge de kennismaking leiden tot duurzame vriendschap pr|js bij nummerverkoop per nummer ABONNEMENTEN f 5.20 PER JAAR
PDF
Nummer
1913, nr.01, 2 juli 1913
Blad
04
Tekst
Haagsche Tentoonstellingen m wording EEN KIJKJE OP DE LANDBOUWTENTOONSTELLING IN VOGELVLUCHT; DE GEBOUWEN NADEREN HUN VOLTOOIING. Zie voor beschrijving nevenstaande mededeelingen. ezwaarlijk kan men zich voor een tentoonstelling een schooner omgeving denken dan die welke het deel is van de groote landbouwtentoonstelling, welke, onder het voorzitterschap van Z. K. H. den Prins der Nederlanden, wordt ingericht op het groote terrein aan de Nieuwe Parklaan te Scheveningen, door de gemeente daarvoor afgestaan en geheel in gereedheid gebracht. Aan de eene zijde is het terrein als verzonken tusschen heuveltjes, aan den anderen kant heeft het de fraaie begrenzing van het kanaal naar Scheveningen en den achtergrond van de Boschjes. Holland zal hier aan vreemdeling en landgenoot toonen tot welken graad van ontwikkeling moderne opvattingen, wetenschappelijken zin en steeds hooger opgevoerd onderwijs het land- en tuinbouwbedrijf en de veeteelt hebben gebracht. Sedert vele maanden hebben een aantal com-missiën zich bezig gehouden met de voorbereiding dezer tentoonstelling en naar ons werd medegedeeld is daarbij een stelsel gevolgd, dat eeniger-mate afwijkt van dat hetwelk bij vroegere dergelijke tentoonstellingen werd toegepast, in zooverre bijvoorbeeld minder individueele inzendingen zullen plaats hebben dan wel provinciale. Dit geldt, zegt men ons, zoowel het viervoetige als het pluimvee. Uit den aard der zaak gaat het niet aan om reeds' nu te vertellen van al wat er op het gebied van land- en tuinbouw, zuivelnijverheid, de zoetwatervisscherij, het ij mkerbedrijf enz. te zien zal zijn. Een dergelijke tentoonstelling, mede in den Haag, op het Malieveld, gehouden, ligt nog niet zoo heel veel jaren achter ons en heeft een zoo voortreftelij ken indruk achter gelaten, dat de inrichters der nieuwe tentoonstelling wel hun uiterste best zullen gedaan hebben om te bereiken dat de indruk zal worden bevestigd, zoo mogelijk nog sterker zal zijn. Men herinnert zich van de vroegere tentoonstelling de belangwekkende inzending van het Departement van Landbouw ; die zal ook thans stellig niet ontbreken. Wij wenschen deze tentoonstelling van geheeler harte toe, wat alle ondernemingen van dezen aard zoozeer behoeven : mooi weer ! Dan komt het druk bezoek vanzelf. e Nationale en Internationale Tentoonstelling voor Sport en Toerisme, kortweg Nitst genaamd, die in de maand Juli wordt geopend, belooft een bijzonder nummer te zullen worden op het alge-meene vaderlandsche feestprogramma, zoowel voor vreemdelingen als landgenooten die de hofstad zullen gaan bezoeken. De Tentoonstelling zal gehouden worden in de Zalen van het Koninklijk Zoölogisch Botanisch Genootschap, in de wandeling de „Tuin” genoemd, terwijl bovendien het daarlangs gelegen deel van den Benoordenhoutscheweg en een aangrenzend stuk van het Haagsche Bosch in gebruik genomen zijn. Naar men hoopt zullen de volgende groepen vertegenwoordigd zijn : I. Sport in het algemeen ,en lichamelijke opvoeding. II. Rijsport (sportief en commerciëel). III. Schietsport (uitgezonderd jacht). IV. Wielersport (sportief en commercieel). V Watersport. VI. Sneeuw- en IJssport. VII. Jachtsport. VIII. Visscheriisport. IX. Luchtvaart. X. Voorwerpen, geschikt voor Eereblijken of Belooningen bij Wedstrijden XI. Toerisme. XII. Automobilisme. XIII. Reisverkeer. XIV. Reis- en Sportlitteratuur. XV. Reisuitrusting en Sportkleeding. XVI. Hotelwezen (Voedingsmiddelen, kookkunst en verpleging, hötelinrichting). XVII. Voorwerpen van kunst en kunstnijverheid. XVIII. Retrospectieve Afdeeling (Geschiedemis van het Nederlandsch Sport- en Reiswezen). De aantrekkelijkheid der tentoonstelling zal verhoogd worden door het thans voor elke expositie onmisbaar geworden Lunapark, op een aangrenzend groot, des avonds rijk verlicht terrein, waar o. m. Hagenbeck’s befaamd wilde beestenspel standplaats zal krijgen. DE HOOFDINGANG VAN DE N. I. T. S. T. (daarneven liggen de bureaux van het Tentoonstollingsbestuur). Zie voor beschrijving nevenstaande mededeelingen.
PDF
Nummer
1913, nr.01, 2 juli 1913
Blad
05
Tekst
Een noodlottige Uitvinding. (Uit het Engelsch van J. MORTON LEWIS.) Vooi een professor was Steinway bepaald een jong en levenslustig man. Niemand, die met hem kennis maakte in den weinigen vrijen tijd, dien hij zich veroorloofde, kon zich voorstellen dat deze man, die nauwelijks dertig jaar leek en de volle frischheid der jeugd scheen te bezitten, de wereldberoemde geleerde was. De scheikunde, in het bijzonder, het vervaardigen van ontplofbare stoffen , was zijn speciaal studievak. De kennis door anderen eerst na jaren verkregen, was hem een tweede natuur en vormde een integreerend deel van zijn vernuft. Hij bezat een zekere handigheid of beter een gewaarwordingsvermogen, dat hem in staat stelde zijn proefnemingen langs succesvolle banen te leiden. Waar anderen aarzelden of niet slaagden, daar over-woft hij, vaak onbewust, als door een geheime macht geleid, de hinderpalen, door Natuur aan eiken voortvarende gesteld, die zich van haar geheimen wil meester maken. Steinway was vrijgezel. Buiten zijn laboratorium leefde hij vrooliik en onbekommerd en handelde vaak naar de ingevingen van het oogenblik. Hij voerde een leventje als een bohémien, in den waren zin van het woord. Hij had behoefte aan afwisseling; dagelijksche sleur was hem een gruwel en werkte verlammend op zijn werkkracht en verbeelding. Op een avond zat hij, na volbrachte dagtaak in zijn studeerkamer te lezen, ontspanningslectuur. Hij had een detective-verhaal gekozen. Steinway had voor dergelijke verhalen een voorliefde, bijna grenzende aan passie. Juist klokslag negen uur kwam zijn bediende de kamer binnen met een telegram in de hand. „Dit is zoo juist gekomen, meneer ! ' „Dank je ! Ik hoorde je niet kloppen”. Steinway scheurde de enveloppe open. Het telegram was geteekend „Lorriquer” en behelsde de volgende woorden : „Kom terstond bij mij. Heb ongeluk gehad !” Lorriquer was een oud vriend, een kamergenoot uit zijn studententijd. Hij woonde aan de tegenovergestelde zijde van het weiland, een afstand van tien minuten. Steinway zag dat het telegram een half uur geleden was aangeboden aan het Barnes-postkantoor en verwonderde er zich ten zeerste over, waarom zijn vriend hem niet liever direct een boodschap gestuurd had, in plaats gebruik te maken van het in dit geval omslachtige telegram-systeem. Nochtans, hij stond op, ging naar de vestibule, trok zijn overjas aan en zei tot zijn huishoudster : „Ik ben plotseling geroepen bij mijnheer Lorriquer, en kom vanavond mogelijk niet vroeg thuis. Doe in allen geval de deur niet op den grendel als het laat mocht worden”. Hoe vroeg nog in den avond, was het veld verlaten, toen hij het dwars overstak. Laat in November, joeg een koude wind hem in het gezicht. Hij wandelde intusschen in de duisternis voort met de zekerheid van een man, die den weg kent. Om tijd te winnen, verliet hij den hoofdweg ■en stak dwars het grasveld over. De maan was nog niet te zien en behalve eenige sterren was de lucht donker. Aan weerszijden naderden hem schaduwen van naakte boschjes en onder zijn voeten kraakten de doode twijgjes. Onderwijl peinsde Steinway welk ongeluk zijn vriend getroffen mocht hebben en begreep hij nog steeds niet, waarom deze een telegram en geen boodschap gestuurd had. Kennissen had Steinway genoeg, ware vrienden slechts één, den man die hem het telegram- 2ond; geen wonder dat hij zich haastte bij hem te komen. Vlak voor hem rees een dicht boschje bremstruiken voor hem op. Het kwam zwart uit in de duisternis. Hij had het juist bereikt en verdween in zijn schaduw als een andere nog donkerder schaduw hem naderde en daarna nog een. Hij hoorde een stem snel iets zeggen in een vreemde taal, een arm werd om zijn hals geslagen en hij achterover getrokken, en tegelijkertijd voelde hij iets tegen zijn neus drukken, iets dat een ziekelijk luchtje had. Hij herkende het vóór hij het bewustzijn verloor: „chloroform” murmelde hij nog even. Toen hij eindelijk uit zijn verdooving ontwaakte, was het eerste wat hij zich bewust werd, een vaag gevoel van m beweging te zijn. Rond ziende bemerkte hij dat hij in een gesloten rijtuig zat, dat zich met grooten spoed voortbewoog. Vervolgens bemerkte hij dat hij aan handen en voeten gebonden was. Tegenover hem zaten twee mannen. Het waren ongetwijfeld beschaafde lieden, doch klaarblijkelijk vreemdelingen. Zij waren beiden nog jong doch mannen van groote physieke kracht. De langste van de twee boog zich voorwaarts. „Professor Steinway,” zeide hij in onberispelijk engelsch, „ik moet mij verontschuldigen voor het ongerief, dat we u veroorzaken. Steinway lag in zijn volle lengte op de zitplaats. Hij werkte zich op in een zittende houding. „Wat in 's hemelsnaam, voeren jelui in het schild? Wat ben-je van plan. „We voeren U naar Southampton !” „Southampton?” Steinway keek verbaasd op. „Waarvoor?” „Dat zult U zien als we er zij ;” het was de andere man die antwoordde. Zijn stem klonk hard en bijna dreigend. „Maar mijn vriend, die in gevaar is !” Plotseling werd Steinway alles duidelijk. „Dus, dat was een leugen, verzonnen om mij op de weide te krijgen.” „Zeg liever, een ander compliment, eveneens een beetje slecht uitgedrukt !” Steinway zag hen woedend aan. „Als ik slechts vrij was, dan zou ik u, heeren, een compliment toedienen, dat ge niet zoo gemakkelijk vergeten zoudt.” Wederom dezelfde beminnelijke, opdringerige glimlach. „Dit was de reden, waarom we de vrijheid namen u zoo secuur mogelijk te binden.’’ Het accent der beide mannen verraadde zoo duidelijk hun nationaliteit, dat Steinway ging begrijpen om welke reden hij naar Southampton vervoerd werd. Eenige weken te voren had hij met de Engelsche regeering onderhandel ingen aangeknoopt, betreffende een nieuw ont-ploffingsmiddel dat hij had uitgevonden, een middel, waarvan experts getuigden, dat het een geheelen ommekeer zou veroorzaken in het moderne oorlogsmaterieel. De proefneming was ver boven zijn stoutste verwachtingen geslaagd en hij wachtte nu nog slechts op de eindbeslissing van het Ministerie van Oorlog, toen hij plotseling overrompeld en opgelicht werd. „Dat beteekent oorlog,” zei hij roornig. „Laat ons hopen van niet,” antwoordde de eerste spreker, „doch als dat het geval is, dan vertrouwen we dat voordat het eerste schot gelost is, wij u zullen hebben kunnen bewegen ons uw wondervol geheim te onthullen.” „Ah !” Steinway leunde zoover mogelijk voorwaarts. „Ik zie je liever verdoemd.” In volkomen duisternis bereikten ze Southampton. Het rijtuig reed recht naar de havenplaats waar een klein stoomjacht lag. Steinway zag dat het op stoom lag en aan de beweging aan boord, dat het gereed was om onmiddellijk te vertrekken. Zijn gedachten werkten snel. Sinds hij handen noch voeten bewegen kon, lag zijn eenige hoop op redding in een luiden schreeuw om hulp als hij aan boord gedragen werd. Zijn hart zonk hem evenwel in de sehoenen, toen hij zag, dat de grootste van zijn begeleiders zich naar hem vooroverboog, een haastig gevormden prop in de hand. „Het spijt me, professor, doch het is slechts voor een paar minuten. Zoo dadelijk zijn we aan boord en daar zullen we u bevrijden.” Het volgende oogenblik was de prop in zijn mond. ■ Hij werd uit het voertuig getild en haastig over een loopplank gedragen; die bij hun nadering van het schip op de wal was gelegd. Hij deed voor het laatst een ernstige poging om los te komen, doch wat kan één man, stevig gebonden, uitrichten tegen drie, in het volle gebruik van hun kracht. Hij was dan ook weldra op het jacht gedragen, de loopplank werd weggenomen, een luid bevel klonk van de commandobrug, er werd ergens een bel geluid en de schroef begon te werken. Steinway werd in een hut gebracht en de deur achter hem gesloten. De hut waarin hij gevangen zat was goed, zelfs weelderig gemeubeld. Een paar kleine kijkgaten gaven uitzicht op de zee en gaandeweg zag hij de lichten van Southampton verdwijnen als het voorbijvloeiende water. Eerst nadat zij ruim een uur onder weg waren, werd zijn eenzaamheid verbroken. Plotseling hoorde hij het om draaien van een sleutel en de deur werd geopend. De grootste van de twee overrom-pelaars trad de kajuit binnen. Hij snelde naar de rustbank waarop Steinway lag en sneed zijn banden door. „Professor,” zei hij, „ik heb mij van, te voren veront schuldigd, ik moet het nu nogmaals doen. Ik ben Kapitein von Arnheim !” „Van het duitsche leger-,” vervolgde Steinway. Von Arnheim boog. „Gij zijt op dit oogenblik de gast der Duitsche Regeering.” „Een zeer onvrijwillige gast. Uw regeering zai er nog wel eens van hooren als ik weer in vrijheid gesteld ben. U zult ondervinden dat het een gevaarlijke onderneming is, een engelsch onderdaan te overvallen en tegen zijn wil gevangen te houden.” Von Arnheim had een wijze van doen, die te gelijker tijd vermakelijk en innemend was. „Ik hoop, dat het niet altijd tegen uw wil zal zijn,” antwoordde hij. „Wat bedoelt u hiermedd?” „Het behoort niet tot mijn opdracht u alles in bijzonderheden mee te deelen; doch de heele geschiedenis is een handelszaak. We zullen u niet lang gevangen houden. U kunt Duitschland weer binnen 24 uur verlaten, zoo u wilt, als een rijk man, als een man zoo gefortuneerd dat duizenden u zullen Denijden.” Professor Steinway ging recht op den man af. „Ik begrijp u volkomen,” zeide hij, „en ieder Engelsch-man zal mij verachten en vervloeken als een verrader.” Kapitein von Arnheim maakte een beweging. „Professor Steinway,” zeide hij, „laat ons niet verder hierover redekavelen. Geloof mij, ik voldoe slechts aan de mij gegeven orders, door te doen zooals ik deed. Gedurende zes en dertig uur zijn we reisgenooten; ik zou gaarne willen, dat we vrienden waren.” Hij stak hem zijn hand toe. „Ik wil deze zes en dertig uren zoo hartelijk mogelijk voor u zijn.” Hij bezat een beminnelijkheid, die de meeste menschen ontwapenden; Steinway nam de hem aangeboden hand. „Zoo is 't goed,” zei von Arnheim. Hij nam plaats in een armstoel tegenover Steinway, en drukte op een tafelbel. „Drinkt u champagne,” vroeg hij, „of rijnwiin? We hebben een heerlijken oogst Hochheimer aan boord. Weet ik het niet. ?” lachte hij. Gedurende de zeereis deed kapitein Von Arnheim al het mogelijke om den tijd gezellig door te brengen. Inderdaad, de reis zou ongetwijfeld zeei aangenaam zijn geweest, als Steinway niet zijn woede in bedwang had moeten houden, tot hij den man zou ontmoeten, die de schuld van dit alles was. Eindelijk nog achttien uren reizen in een gesloten spoorwegcoupé, een korte rust en hij stond voor den bewerker van zijn gevangenschap : Kolonel Hanmetz. Kolonel Hanmetz was een Germaan met een aggressief karakter. Zijn vaderlandsliefde dreef hij tot het uiterste, was bij hem een fanatisme. Zijn zorg voor het welzijn van zijn vaderland heerschte bij hem boven alles. Steinway werd geleid in een spaarzaam gemeubeld vertrek in de vesting Mannstadt. Een eenvoudige houten tafel, dito stoelen en een houten brits als bed was het geheele ameublement. De beide vensters waren klein, hoog en secuur met traliën afgesloten. Daar kwam kolonel Hanmetz hem bezoeken. Voor een oogenblik maten de beide mannen elkander met de oogen. „Zijt gij de mam die de vermetelheid hee-t gehad mij op te lichten en hier gevangen te zetten ?” riep Steinway woedend uit. „Die ben ik I” De kolonel was onverstoorbaar. „Om welke reden ?” „Omdat u zoo gelukkig geweest zijt, een nieuwe ontplofbare stof uit te vinden, die een ommekeer zal teweegbrengen in de oorlogstoerustingen”. „Dit is zoo. En daarom breng je me hier — als gevangene. Als mijn Regeering er van hoorr . . . .” De kolonel staarde hem aan als een steenen beeld. „Uw regeering zal hiervan niets hooren. Ik heb al mijn voorzorgen genomen. Professor, ik ben een man van weinig woorden. Ik vertegenwoordig de Duitsche Regeering in deze zaak. Wij zijn bereid uw geheim te koopen en er goed voor te betalen.” „Het is zoo goed als verkocht aan de Engelsche Regeering.” „Zoo goed als . . . dat is: nog niet werkelijk. Gij hebt het uw Regeeringaangeboden voor honderdduizend pond sterling. Welnu, ik wil u tweehonderdvijftigduizend pond betalen. Deze som zal op uw naam worden geplaatst op een door u aan te wijzen bank op het oogenblik dat u mij de formules overhandigt:.” „En als ik weiger ?” „Dan wordt u doodgeschoten !”
PDF
Nummer
1913, nr.01, 2 juli 1913
Blad
06
Tekst
PANORAMA Kolonel Hanmetz sprak zonder de minste zweem van ontroering. Het gesprek had even goed over het meest gewone onderwerp kunnen looperi. Steinway deinsde terug. ,,Meent U dat ?” „Zeer zeker. En ik kan u niet veel tijd laten om na te denken. Na acht en veertig uur wacht ik uw besluit.” Steinway deed een stap voorwaarts. „Gij zoudt het wagen mij te doen dooden ?” „Zonder de minste gewetenswroeging. Wij spelen beiden hoog spel, gij en ik, professor. Ik kan u tweehonderdvijftig duizend pond aanbieden of . .. hij haalde de schouders op.......een rustigen dood. Denk er wel om, niem and weet waar gij zijt. Gij zijt verdwenen, dat is alles. Gij zijt niet de eerste man die in Londen spoorloos verdwenen is en gij zult ook de laatste niet zijn. Ik onderstel, er zijn er wel een dozijn zoek, sedert het oogenblik dat men u op het Bar-nesveld overviel.” „Maar, iemand kan ons gezien hebben. We kunnen gevolgd zijn tot aan Southampton.” „Als zoo iets gebeurd is, dan zal kapitein Von Arnheim gefusileerd worden, omdat hij zulk een groote domheid begaan heeft. U ziet, professor, op hulp behoeft u niet te rekenen. Gij zijt verdwenen. Het ligt nu in uw keus, wat met u gebeuren zal: een fortuin o. . . .” Hij liep langzaam 'naar de deur; daar wachtte hij een oogenblik. „Ik verzoek u het erustig in overweging te nemen. In uw geval, zou ik geen oogenblik aarzelen. Twee honderd vijftig duizend pond is een groote som - men kan er van leven als een prins !” „En als ik u de formules geef, belooft u me dan, dat het mij zal worden uitbetaald ?” Voor de eerste maal gedurende het onderhoud veroorloofde de kolonel zich zijn gelaat tot een lach te plooien. „Neen, professor,” zei hij, „ik eisch dat u volgens uw formules de ontplofbare stof maakt, dan zullen we, u en ik, de proef t r mee nemen, en daarna ontvangt u het geld.” Hij sloot de deur weer achter zich en Steinway hoorde er de grendels voorschuiven. Gedurende de nu volgende twaalf uren trachtte hij met zich zelf tot een besluit te komen. In zijn eene,hand lag de dood, in zijn andere schande en de wetenschap gedurende zijn verdere leven, dat hij zou zien hoe Duitschland zich wist op te werken tot een onaantastbare eerste wereldmacht ten koste van zijn eigen vaderland. Voor Engeland beteekende dit slechts : algeheele ondergang. De betrekkingen tusschen de beide landen waren reeds tot het uiterste gespannen. In deze uren begon hij bijna de genialiteit van zijn eigen brein te vervloeken. Op genade behoefde hij niet te hopen. Hij was menschenkenner genoeg om bluf, hoe goed gemaskerd, duidelijk te kunnen onderscheiden van bitteren ernst. Gedurende deze uren van overpeinzing werd hij af en toe opgeschrikt door zwaar kanongebulder. Er werd juist in de Mannstadt-vesting een hieuw kanon beproefd, de uitvinding van een duitsch ingenieur. Steinway beefde bij de gedachte aan de uitwerking die dat wapen zou hebben, geladen met zijn nieuw kruit. Uren lang liep hij het kleine vertrek op en neer, zijn hersens peinigende om een middel te vinden om uit dit verschrikkelijke dilemma te geraken. Het leven is zoo zoet, en hij had nog zooveel werk te doen; doch hij wilde zijn vrijheid niet koopen ten koste van zijn eer en zijn vaderland. Na vier en twintig uur trad kolonel Hanmetz zijn cel weer binnen. „Wel,” vroeg hij, „hebt ge reeds een besluit genomen ?” „De acht en veertig uur zijn nog niet om,” antwoordde Steinway. „De helft ervan is om,” hernam de kolonel. „Als ik het voorstel aanneem, hoe zal ik dan de zekerheid hebben, dat het geld mij wordt uitbetaald ? Als je mij wilt dooden als ik zwijg, kun je me even gemakkelijk dooden als ik mijn geheim heb meegedeeld.” „Gij hebt mijn eerewoord als duitsch officier,” antwoordde de kolonel, „is dat voldoende?” „Volkomen,” antwoordde Steinway. „Na het verloopen van den gestelden termijn zult u mijn antwoord hebben.” De kolonel boog. Na eenige uren had Steinway zijn besluit genomen. In de vesting waar hij gevangen zat, op geen honderd meter afstand stond Duitschlands nieuwste kanon. In diezelfde vesting was in zijn brein ook het middel om dit kanon onoverwinnelijk te maken. In zijn overspannen geestestoestand zag hij visioenen van Duitsche overwinningen te water en te land. Duitschland meester van de wereld, dictator cp aardel Dat was ook de droom van kolonel Hanmetz! Toen hij eenmaal tot een besluit gekomen was, viel hij op zijn legerstede neer en sliep in als iemand die vermoeid is. Gedurende drie nachten had hij geen oog geloken en nu kwam de slaap tot hem als een vertroosting. Hij ontwaakte door een tik op den schouder. Kolonel Hanmetz stond aan zijn bed. „De acht en veertig uren zijn voorbij, ’ zeide hij. „En mijn besluit is genomen l” riep Steinway geestdriftig uit. „En dit is . . ?” „Ik wil mijn geheim verkoopen. In den namiddag zal ik u een demonstratie geven van de ontzettende kracht van mijn uitgevonden ontploffingsmiddel. Eerst moet ik echter de noodige grondstoffen hebben.’ Indien kolonel Hanmetz verlichting gevoelde of recht-matigen trots door het bereikte succes, dan liet hij hiervan niets merken. „U zult alle benoodigdheden hebben, die u verlangt,” zei hij eenvoudig. „Ik zal u hiervan een lijst geven.” Steinway nam vulpen en papier uit zijn zak en schreef verscheidene namen van chemicaliën op. Van deze geheele lijst had hij er slechts vier noodig. De rest diende slechts om anderen te verhinderen zijn middel na te maken. „Nu ik heb voldaan aan uw verzoek,” zei Steinway, terwijl hij den kolonel zijn lijst overhandigde, „zou ik gaarne willen, dat u ook een verzoek van mij inwilligde.” „Als ik het kan toestaan, is het toegestaan.” „Ik zou graag het nieuwe kanon eens willen zien, ik heb er in Engeland reeds iets van gehoord.” „Uw proefneming zal plaats hebben in het ijzeren laboratorium. Daar staat ook het eenige volkomen gemonteerde kanon.” „Ik dank u,” zei Steinway. Het ijzeren laboratorium was in werkelijkheid een ruime ijzeren loods. De wanden waren bijna geheel van glas en het dak één reusachtige glazen lantaren. Aan het eind van deze loods stond het nieuwe kanon, het affuit nog verschroeid door de kort te voren gehouden schietoefeningen. Steinway wijdde eenigen tijd aan de bezichtiging en deed vele vragen over het mechanisme. Eindelijk wendde hij zich af, liep naar een groote toonbank en overhandigde onderwijl aan kolonel Hanmetz een papier, waarop de wijze van vervaardiging geschreven was van zijn nieuwe uitvinding. Een kleine kring van ongeveer twintig menschen stond rondom hem als hij met zijn demonstratie begon. Het waren de hoogste autoriteiten van het arsenaal en allen beschouwden hem met blikken vol begeerige belangstelling als menschen die zich over een succes verheugden. Op het gelaat van enkelen was een nieuwsgierigheid gemengd met vrees te lezen, toen Steinway kalm de verschillende chemische stoffen in hun juiste proporties vermengde. In zijn onmiddellijke nabijheid stond kolonel Hanmetz, met een glimlach van voldoening op het gelaat. Hij wist dat deze gebeurtenis voor hem het persoonlijk succes beteekende van door hem met zorg uitgewerkte plannen. Hij voelde zelfs een zekere bewondering voor de zelfbewuste, onbevreesde wijze waarop de Engelschman de gevaarlijke grondstoffen behandelde. Eensklaps keek Steinway op, een grooten stamper in de hand. Voor hem op de toonbank lag een hoop grijsachtig, oogenschijnlijk onschuldig poeder. „Dit, mijne heeren, is nu het nieuwe kruit,” zeide hij. Hij wachtte een oogenblik, terwijl de officieren om hem heen drongen. Aller oogen waren op het nieuwe ontploffingsmiddel gericht. „Hier is genoeg,” vervolgde Steinway, „om de geheele vesting op te blazen, zoodat geen steen op den anderen blijft. In een enkele seconde is hier slechts een ruine over. De geringste klap of stoot is voldoende om het kruit te doen ontploffen.” • Iets in zijn toon deed de omstanders instinctmatig opzien, alsof zij raadden, wat volgen zou. Kolonel Hanmetz begreep eensklaps alles en wierp zich op den professor. Te laat! Steinway had den arm met den stamper opgeheven ! Het volgende oogenblik daalde het met kracht neer op het poeder. Een verblindende lichtstraal, een vreeselijke oorverdoovende ontploffing volgde, daarna stilte — een stilte waarin de kreten waren verstikt van allen, die op dit oogenblik de eeuwigheid waren ingegaan. De schok werd mijlen in den omtrek gehoord en den volgenden dag was de ramp in heel Europa bekend. Het groote arsenaal te Mannstadi was in -de lucht gevlogen. Het was één ruine. De schok had ook aan de stad een kwart mijl in den omtrek groote schade bbrokkend. Doch de berichten omtrent deze ramp konden niets vertellen van de beide geheimen bedolven onder de ruine; — twee geheimen die een mogendheid zouden hebben gemaakt tot meesteres van de wereld. Evenmin verrafelden ze den naam van den man, die liever zijn leven gegeven had, dan te willen bewerken, dat een vreemd land, ten. koste van zijn vaderland, de grootste wereldmacht werd. De Engelsche jongelui, de pootige jongens, die in de ja-rlijk-sche,befaamde roeiwed-st rij den bij Henley, op de Tneems, den roem van de Britsche roei-sport hoog houden, zullen hebben op te passen voor vrouwelijke concurrentie. De hier afge-beelde schoonheden, dames-le’ling" van Wellesley College, hebben op de Charlos rivier over langen afstand geroeid en den tijd waarin zij dien af legden, gerekend tegen dien van !9!2, met 7 minuten bekort. Het zal ten slotte den mannelijke roeiers niet veel moeite kosten om het hoofd . te buigen voor zooveel kracht en uithoudingsvermogen, bij zooveel gratie. EEN „JONGE ACHT”. Deze vrouwelijke beoefenaren van de roeisport zijn record-breeksters.
PDF
Blad 
 van 955
Records 6 tot 10 van 4771